| Historie |
|
|
| Geschreven door Administrator | |
|
Na de oorlog en de mechanisatie dacht men dat de paarden enkel nog in musea te bezichtigen zouden zijn. Door de wederopbouw na de oorlog was er weinig vrije tijd. Toen in de jaren ’60 de economie verbeterd was en er meer vrije tijd kwam, werden de paarden weer attractiever voor de opvulling van de vrije tijd. Er werden meer maneges opgericht (onder leiding van de Federatie van Nederlandse Rijscholen (FNRS)) en het paard was weer in trek. In de leger werd het paard gebruikt voor de cavalerie en waren hiervoor speciale instructeurs aanwezig. Toen de cavalerie verdween uit het leger als gevolg van de mechanisatie, werden instructeurs overbodig. Echter toen er in de jaren ’60 meer maneges bijkwamen door de groeiende markt, oversteeg de vraag naar instructeurs het aanbod. Vanuit de FNRS kwam hierop de vraag naar een instructeuropleiding waarmee dit tekort aangevuld zou kunnen worden. Tevens zocht de Nederlandse Hippische Sportbond een accommodatie om topruiters voor te bereiden op de internationale wedstrijdsport. Naar aanleiding van deze vragen is Het Nederlandse Hippische Centrum in Deurne op initiatief van de toenmalige Nederlandse Hippische Sportbond en de Federatie van Nederlandse Rijscholen opgericht door Hub van Doorne en Kolonel Karel Schummelketel. Het eerste schoolgebouw (de Prins Bernard manege) is geopend op 18 September 1969 door ZKH Prins Bernard. Toen NHB in 1969 geopend werd, is de particuliere opleiding tot pikeur/instructeur van start gegaan. Om tot deze opleiding toegelaten te worden moest de leerling eerst de titel leerling-pikeur behaald hebben aan de vakopleiding in Gorsel. Vanuit deze vakopleiding werd op het NHB een examen afgelegd, waarna men aan de tweejarige opleiding kon beginnen.Deze opleiding bestond uit 9 maanden stage waarna 3 maanden school volgde. Aan het einde van de schoolperiode moest men een examen afleggen voor een externe examencommissie. Wanneer men hiervoor slaagde kreeg je de titel ‘instructeur’ toegewezen door de FNRS. De opleiding koste ongeveer fl. 10.000,- (€ 4.545,-) per jaar en het meenemen van één jong en één ervaren paard was vereist. Door de hoge kosten was dit een opleiding voor de elite en startte de opleiding met ongeveer 10 leerlingen. In de paardenfokkerij vond een omvorming plaats. Er werd gekruist met volbloedpaarden, waardoor de kwaliteit van de paardenfokkerij steeg. Hierdoor werd de export van paarden vergroot en dus interessanter voor de overheid. Doordat er een melkoverschot was, werd er minder geld in de koeiensector gestopt om de boterberg te verkleinen en werd de paardenhouderij juist meer gestimuleerd, omdat dit een groeiende sector was. Dit leidde er in 1973 toe dat het Fonds voor veefokkerij geld gaf aan het NHB. Hierdoor ontstond er een relatie van het NHB met het landbouwonderwijs. Dit had tot gevolg dat er ook een rijksgecommitteerde aanwezig was bij de examens. In 1977 vond de omvorming plaats van vakschool naar praktijkschool. Dit was gunstig voor het NHB omdat deze hiervoor geld ging ontvangen per aanwezige leerling van het ministerie van onderwijs.Tevens werd de rechtspositie van de werknemers op het NHB verzekerd. Voor de leerlingen werd de opleiding door deze omvorming toegankelijker. Zij konden studiefinanciering krijgen (mits ouder dan 18 jaar) en door aanschaf van paarden door het NHB was het voor de leerlingen niet meer noodzakelijk om een eigen paard mee te nemen. Hierdoor groeide de opleiding uit tot 180 leerlingen per jaar. Deze leerlingen waren verdeeld in 3 groepen, waardoor er telkens maximaal 60 leerlingen aanwezig waren op school. De opleiding zelf werd eveneens veranderd. De opleiding werd nu opgesplitst in 3 jaren waarbij in het eerste jaar de basisopleiding (voorheen leerling-pikeur) afgerond werd, vervolgens instructeur 1 en als laatste instructeur 2 (voorheen pikeur/instructeur). Tevens kwamen er de opleidingen tot stalmeester en drafsportpikeur bij. Eind jaren zeventig werd hier nog de opleiding tot hoefsmid bijgevoegd. Om het grotere aantal leerlingen en opleidingen te herbergen werd het gebouwencomplex uitgebreid met een tweede rijbaan, een hoefsmederij, een quarantainestal en het internaat werd vergroot. In 1984 werd het aantal praktijkscholen minder in Nederland. Het NHB sloot zich aan bij het AOC (Agrarisch Opleiding Centrum) onderwijs en veranderde in een Middelbare Beroepsopleiding. Hierdoor veranderde het vakkenpakket, zodat vakken als biologie en Engels erbij kwamen. Tevens werden de schooljaren anders ingedeeld. Voortaan gingen de leerlingen niet meer 9 maanden op stage en 3 maanden naar school, maar 6 maanden op stage en 6 maanden naar school. Omdat hierdoor het aantal aanwezige leerlingen op school groter werd (van 60 leerlingen naar 90) huurde het NHB in het centrum van Deurne een flat waarop een groter aantal leerlingen kon overnachten. In de hierop volgende 4 jaren groeit het NHB nog verder uit van 180 leerlingen per jaar naar 360 leerlingen. Hier werd op in gegaan door het docentenaantal te vergroten en meer leerruimte te creëren voor de studenten. In 1992 werd het schoolcomplex nog verder uitgebreid met extra stallen, een grote rijhal met foyer en drie leslokalen. Dit werd de Zandboshal genoemd. Een extra vernieuwing aan het complex vond plaats in 2001. Een schoolgebouw met 7 leslokalen, veterinaire ruimte, mediatheek, computerruimte en seminarzaal werd gerealiseerd. In 2007 is een groot stallencomplex bijgebouwd wat stalling geeft aan 60 paarden. De containerboxen zijn verwijderd. De Vereniging van Afgestudeerden van NHB Deurne, afgekort VANHB, is in het najaar van 2003 opgericht naar aanleiding van het 35 jarige bestaan van NHB Deurne. De school wilde graag een vereniging oprichten waar alle oud-studenten zich mee verbonden zouden voelen en het netwerk zou blijven bestaan. Nu is VANHB een vereniging voor alle gediplomeerden van NHB Deurne. Hoefsmeden, topsporters, managers, stalmedewerkers en instructeurs, iedereen kan lid worden van VANHB en op de hoogte worden gehouden van haar activiteiten
|

